'De weg kwam, slingerde zich, ging voorbij, eenzaam, verlaten en treurig. Het was of de slingerende weg kwam uit lage kimmen, en ging naar lage kimmen toe, duikende in nederigheid onder heel lage luchten, en alleen de sparren spietsten nog, fier en recht, maar verder was er een bukken, overal.
De nederige villa-huizen, de kleinere armelijke woningen, hier en daar, bukten, onder de zware lucht en den strijkenden wind; de struiken doken neêr aan den kant van den weg; en de ènkelen, die er gingen - een oude heer - een boerin - twee arme kinderen met een mandje, en gevolgd door een triestigen hond, groot en ruig - schenen laag het hoofd en den kop hangen te laten onder de ernstige zwaarte der luchten, en onder de felle heerschappij van den wind, die al scheen maanden geleden te hebben uitgevaagd den glimlach dier nu nederige, fronsend bespiegelende ziel-van-landschap, zichzelve sedert voelende klein en gelaten in de waterige nevels van winterrouw.'
Uit: De boeken der kleine zielen, Het heilige weten, eerste deel (1903) door Louis Couperus.
De nederige villa-huizen, de kleinere armelijke woningen, hier en daar, bukten, onder de zware lucht en den strijkenden wind; de struiken doken neêr aan den kant van den weg; en de ènkelen, die er gingen - een oude heer - een boerin - twee arme kinderen met een mandje, en gevolgd door een triestigen hond, groot en ruig - schenen laag het hoofd en den kop hangen te laten onder de ernstige zwaarte der luchten, en onder de felle heerschappij van den wind, die al scheen maanden geleden te hebben uitgevaagd den glimlach dier nu nederige, fronsend bespiegelende ziel-van-landschap, zichzelve sedert voelende klein en gelaten in de waterige nevels van winterrouw.'
Uit: De boeken der kleine zielen, Het heilige weten, eerste deel (1903) door Louis Couperus.